Bővebb ismertető
ABSTRAKT
Zoals de wetenschap steeds door de gedachte bezield wordt, om onbekenäe gehieden te ontdekken en te veroveren, dringt ook de kunst onweerhoudbaar nieuwe werelden tegemoet. Wanneer wij ons slechts tot de geschiedenis van de Europese Schilder- en beeldhouxvkunst beperken, constateren wij een heftige, eeuwen-lange strijd om steeds andere gebieden, die men uitbeelden wil, te veroueren: in de vroege middeleeuwen waren de hemel, God en de heiligen waardig, om in het kunstwerk weerspiegeld te worden; in de gotiek en in de Renaissance daalt het kunstwerk tot de profane wereld af, in de negentiende eeuw tot de wereld van de fabrieken en de techniek. De twintigste eeuw maakt met behulp van het surrealisme de droom rijp, om uitgebeeld te worden en ontdekt de nieuwe vormen van het oneindig kleine, die onder de microscoop zichtbaar worden, of van het oneindig grote in de sterrenwereld. De microscoop en de telescoop tonen ons een beeld, dat niet door menselijke figuren gestoffeerd wordt. Men heeft de schoonheid van het buiten-menselijke, van de „oervormen", die de schepping in haar beginstadium voortbrengt, ontdekt, vormen, die geen betrekking meer hebben op menselijke proporties, maar die, desondanks toch kunstwerken, door Velen als niet minder geheimzinnig beschouwd worden dan de glimlach van de Mona Lisa, en die niet minder fascinerend schijnen dan de contouren van de Venus van Milo.
Met zulke vormen en kleurvlekken voor ogen, zoals wij hen onder de microscoop, of bij het aanschouwen van de spiraalnevels in de melkweg, of wanneer wij uit het vliegtuig naar beneden kijken op de lichten van een nach-telijke stad, kunnen zien, hebben stoutmoedige kunstenaars misschien de gedachte opgevat, om descheppingnogeensvoorzichzelfalleen opnieuwtebeginnen.
Veel wegen leiden naar het rijk van de kunst, die nu reeds tientallen jaren onafgebroken, als een enorme boom, takken en twijgen doet groeien, en die door Velen als „de kunst van deze eeuw" beschouwd wordt, namelijk „de abstracte kunst". De betiteling „abstract" is er een van de vele, die niet altijd gelukkig gekozen zijn. Naast het onnauwkeurige woord „abstract", dat door sommige „non-figuratieve" theoretici van de hand gewezen wordt, gebruiken de kunsthistorici en kunstcritici ook de aanduidingen „absoluut", „non-figu-ratief"; anderen, als Kandinsky, Doesburg en Max Bill, spreken van „concrete