Bővebb ismertető
Proloog 'Het is goed, mama... Ik ben hier, mama...' Dunne vingers reikten over het gesteven lakén van het ziekenhuisbed. Langzaam sloten ze zich om de pafferig bleke hand die met tape en een leren riem aan de zijkant van het bed vastzat. De patiénte, van wie de andere hand en beide benen op dezelfde manier waren vastgebonden, keek zonder met haar ogen te knipperen naar het afgebladderde piafond. Dat ze nog leefde, was alleen te zien aan het regelmatige op en neer gaan van het lakén over haar borst en haar tong die over de kloven in haar lippen schoot. Haar krullende haar omlijstte een gezicht dat vroeger als erg mooi was beschouwd. Nu zat de hűid strak om de botten en waren haar ogen verborgen achter donkere kringen van pijn. Hoewel je haar gemakkelijk vijfenzestig had kunnen geven, was de vrouw in feite vijf maanden geleden pas vijfenveertig geworden-op de dag dat was vastgesteld dat ze een dodelijke ziekte had. Het meisje aan de zijkant van het bed greep haar steviger vast maar wendde haar hoofd af toen er een traan over haar wang gleed. Ze droeg een dikke, marineblauwe jas en winterschoenen waarvan smeltende sneeuw een plasje op het zeil vormde. Vijf minuten verstreken zonder dat een van beiden bewoog. De enige geluiden kwamen van andere patienten in de kamer. Ten slotte trok het meisje haar jas uit, schoof haar stoel tot vlak bij het hoofd op het bed en sprak weer. 'Mama, kun je me verstaan? Doet het nog steeds zo'n pijn? Mama, alsjeblieft. Zeg me wat ik kan doen om je te helpen.' Er verstreek weer een minuut voor de vrouw antwoordde. Haar stem was zacht en hees, maar klónk door de hele kamer. 'Maak me dood! Maak me in godsnaam dood!' 'Mama, hou op. Je weet niet wat je zegt. Ik haal de zuster. Die geeft je wel iets.'